Inspirerende bijeenkomst voor deelnemers en volgers

Eind september vond in de Eemlandhoeve in Bunschoten-Spakenburg een bijeenkomst van de Pilot BioMonitor plaats. Op de agenda stonden onderwerpen als vers gras- en kuilanalyses, de Eiwitmonitor, kruiden en klaver in relatie tot calcium en de eisen voor de uiteindelijke BioMonitor. Tijdens de energieke en inspirerende bijeenkomst is volop gediscussieerd over de opgedane inzichten en hoe we daarmee kunnen werken aan verdere reductie van emissies. En de vertaalslag naar een breed toepasbare monitorings- en rapportagemethodiek, die recht doet aan het biologische systeem.

Vers gras- en kuilanalyses

Met ingang van week 15 worden wekelijks vers grasmonsters genomen bij de pilotbedrijven. In de bijeenkomst zijn de analyses besproken. Een kort overzicht van de gemiddelde waardes tot en met augustus:

  • VEM/kg DS is gemiddeld 950, daalt van gemiddeld 1030 in het voorjaar naar 860 eind juni en stijgt vervolgens weer tot circa 950 in augustus.
  • Het ruw eiwit gehalte is gemiddeld 188 (tot de eerste week van september), met een minimum van 140 in juni en stijgend naar ruim 210 in augustus.

De resultaten verschillen vrij sterk tussen de pilotbedrijven, afhankelijk van bedrijfsopzet, grondsoort en keuzes t.a.v. graslandmanagement. Zo varieert het gemiddelde VEM-gehalte tussen de 900 en 1000, en het ruw eiwit gehalte tussen 156 en 230.

De eerste analyses van graskuilen en hooi zijn binnen. Wanneer ook de najaarskuilen zijn bemonsterd, wordt de relatie tussen de samenstelling van de kuil en vers gras verder geanalyseerd. Gezien het grote aandeel van vers gras en kuil in het rantsoen, gaan we ook volgend jaar door met de vers gras- en kuilanalyses.

Kruiden en klaver

Het calciumgehalte wordt beïnvloed door het klaveraandeel in het gras. Gesproken is over een manier om het klaveraandeel in het grasland te bepalen. Een visuele inschatting door enkele pilotdeelnemers is vergeleken met hun calciumwaardes om te bepalen of er een rekenkundig verband kan worden vastgesteld. Als indicatie geldt dat een calciumgehalte van 8,0 g Ca ongeveer overeenkomt met 25% klaver. Daarnaast is gesproken over verschillen in natriumgehalte, dat lager is op klei- en zandgronden. Bij de pilotbedrijven was een toename van het klaveraandeel (en dus het calciumgehalte) te zien in de loop van juni, toen het behoorlijk droog was.

Eiwitmonitor: september vergeleken met mei/juni

Als we de gemiddelde uitkomsten van de Eiwitmonitor van september vergelijken met die van mei en juni, dan zien we:

  • Lager kg melk/koe/dag en lagere voerefficiëntie (deels veroorzaakt door enkele voorjaars afkalvende veestapels)
  • Er wordt minder vers gras gevoerd en meer ruwvoer en krachtvoer bijgevoerd op stal
  • Gemiddeld bevat het rantsoen meer RE/kg DS en een lagere VEM/kg DS. Dit resulteert in een hoger ruw eiwit per kVEM
  • Hoger ureum en lagere stikstof benutting

De meeste veehouders voeren als krachtvoer vooral tarwe en gerst bij. Deze krachtvoeders geven veel energie, binnen twee uur na opname. Gezien het hoge eiwitgehalte in het verse gras van september (eiwit komt langzamer vrij) en het hoge ureum van de tankmelk, is het beter te kiezen voor krachtvoeders waarbij de energie geleidelijk vrijkomt. Voorbeelden zijn droge bietenpulp en maïsmeel. Dan wordt het onbestendige eiwit in het gras beter benut door de pens microben, waardoor het eiwitgehalte in de melk stijgt en het ureum daalt. Een hoog ureum kan ook schadelijk zijn voor de lever en de algemene gezondheid van de koe.

Ook met bijvoeren van kuilgras en grasbalen, kan het ureum worden bijgestuurd. In het voorjaar en de zomer zijn de ureumgehalten in de tankmelk laag. In de vers grasmonsters zien we gemiddeld genomen een laag ruw eiwit en lage OEB (soms zelfs negatieve OEB). Bijvoeren van kuilgras uit het najaar (met veel eiwit) is dan beter.

Vanaf september laten de vers grasmonsters een hoog eiwitgehalte zien en minder energie (lagere VEM). Door hier kuilgras of grasbalen uit het voorjaar bij te voeren, wordt het eiwit beter benut. Graskuil, gewonnen in mei, heeft gemiddeld een hoge VEM, een laag ruw eiwit en een lage OEB.

Verder viel bij het doorrekenen van de gegevens het hoge percentage eiwit van eigen land op: meer dan 90%. Dit komt door het grote aandeel vers gras in het rantsoen (veel weide uren per koe) en een laag krachtvoerverbruik per 100 kg melk. Hiermee onderscheidt de biologische melkveehouderij zich positief.

De BioMonitor: inzicht in prestaties

De BioMonitor is een instrument, een hulpmiddel om de prestaties van een biologisch melkveebedrijf en de sector als geheel, te rapporteren. Daarnaast biedt het de melkveehouder handvatten voor het nemen van managementmaatregelen, die bijdragen aan een lagere emissie, meer biodiversiteit en schoner oppervlakte- en grondwater. Als eerste stap is gekeken op welke punten de Kringloopwijzer minder goed werkt voor een biologisch bedrijfssysteem. Door deze aan te passen in de Kringloopwijzer, ontstaat een tussenstap naar de uiteindelijke BioMonitor.

Met deelnemers hebben we gekeken naar bestaande instrumenten en de mate waarin deze inzicht geven en gebruiksvriendelijk zijn. Een tweetal pilotbedrijven heeft een test gedraaid met het Zwitserse monitoringsysteem RISE om te ervaren hoe dit aansluit op de Nederlandse biologische melkveehouderij. De evaluatie wordt meegenomen in de uiteindelijke keuze.

Daarnaast is een inventarisatie gemaakt van hoofdthema’s en onderliggende aspecten, die we willen monitoren. Voorbeelden van mogelijke hoofdthema’s zijn: bodem- en waterkwaliteit, energie en klimaat, circulariteit, biodiversiteit en dierwaardigheid. Onder ieder thema geven kwantitatieve of kwalitatieve indicatoren inzicht in hoe een bedrijf ‘scoort’. Voorbeelden zijn: percentage blijvend grasland, niet gebruik van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen, percentage eiwit van eigen land, staloppervlak per koe of uren weidegang. Deze hoofdthema’s en onderliggende indicatoren werken we in de komende periode verder uit.

Hoe nog verder reduceren emissies?

Een van de belangrijke doelstellingen van de pilot is om emissies in de (biologische) melkveehouderij nog verder te reduceren. In de bijeenkomst hebben we per pilotbedrijf gekeken naar mogelijke managementmaatregelen. Voor de pilotbedrijven is met name ingezoomd op het verlagen van ruw eiwit, het beperken van aantallen jongvee en nog verder verhogen van het aantal uren weidegang. Andere besproken opties zijn o.a.: het met water schoonmaken van de stalvloer, verdunnen van mest (in de kelder en voor het uitrijden), mest uitrijden met gunstige weersomstandigheden (windstil, vochtig weer) en rantsoenoptimalisatie i.c.m. graslandmanagement (beweiden, maaien).

De volgende stappen

Voor de pilotdeelnemers komt een Kringloopwijzer beschikbaar met de eerste aanpassingen voor ‘biologisch’. De emissie reducerende maatregelen die een melkveehouder neemt, worden daarmee zichtbaar in zijn KLW. Het monitoren van eiwit gaat ook in de komende maanden en dus het stalseizoen) door. Belangrijk onderwerp in de komende periode is het scherpstellen van de thema’s en sub-indicatoren van de BioMonitor. Daarnaast loopt als een rode draad door de contacten met de pilotbedrijven hoe emissies nog verder te reduceren en een zo efficiënt mogelijke bedrijfsvoering te realiseren. Dus de pilot gaat vol energie verder!

Met vriendelijke groet,

De projectorganisatie